ECLI:NL:CRVB:2021:2958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening ingangsdatum IVA-uitkering wegens onvoldoende medische gronden
Appellant, werkzaam als orderpicker, meldde zich op 7 oktober 2015 ziek vanwege clusterhoofdpijn. Op basis van een verzekeringsartsrapport werd hem per 4 oktober 2017 een IVA-uitkering toegekend. Appellant verzocht vervolgens om herziening van de ingangsdatum van deze uitkering naar 6 april 2014, stellende dat hij vanaf die datum gedeeltelijk arbeidsongeschikt was.
Het UWV wees dit verzoek af na medische beoordeling door verzekeringsartsen die concludeerden dat appellant vóór 7 oktober 2015 niet doorlopend arbeidsongeschikt was. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het besluit niet evident onredelijk was. Appellant stelde in hoger beroep dat het chronische karakter van zijn aandoening vanaf 2012 een eerdere ingangsdatum rechtvaardigde, maar leverde geen nieuwe medische gegevens aan.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de bevindingen van de verzekeringsartsen en de rechtbank. De Raad oordeelde dat er onvoldoende medische grond is om de ingangsdatum van de IVA-uitkering te vervroegen. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de ingangsdatum van de IVA-uitkering wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.