Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2021:2958

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
19/1013 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening ingangsdatum IVA-uitkering wegens onvoldoende medische gronden

Appellant, werkzaam als orderpicker, meldde zich op 7 oktober 2015 ziek vanwege clusterhoofdpijn. Op basis van een verzekeringsartsrapport werd hem per 4 oktober 2017 een IVA-uitkering toegekend. Appellant verzocht vervolgens om herziening van de ingangsdatum van deze uitkering naar 6 april 2014, stellende dat hij vanaf die datum gedeeltelijk arbeidsongeschikt was.

Het UWV wees dit verzoek af na medische beoordeling door verzekeringsartsen die concludeerden dat appellant vóór 7 oktober 2015 niet doorlopend arbeidsongeschikt was. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het besluit niet evident onredelijk was. Appellant stelde in hoger beroep dat het chronische karakter van zijn aandoening vanaf 2012 een eerdere ingangsdatum rechtvaardigde, maar leverde geen nieuwe medische gegevens aan.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de bevindingen van de verzekeringsartsen en de rechtbank. De Raad oordeelde dat er onvoldoende medische grond is om de ingangsdatum van de IVA-uitkering te vervroegen. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de ingangsdatum van de IVA-uitkering wordt afgewezen en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitspraak

19 1013 WIA

Datum uitspraak: 25 november 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 januari 2019, 18/5611 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als orderpicker gedurende 40 uur per week. Op 7 oktober 2015 heeft appellant zich ziek gemeld wegens clusterhoofdpijn. Na afloop van de wachttijd is hem bij besluit van 26 juli 2017 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 4 oktober 2017 een IVA-uitkering toegekend.
1.2.
Met een brief van 28 maart 2018 heeft appellant verzocht de ingangsdatum van de IVAuitkering te herzien. Hij heeft verzocht de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen op 6 april 2014 en zijn maatman en dagloon vast te stellen op basis van het refertejaar 7 april 2013 tot en met 6 april 2014.
1.3.
Naar aanleiding van dit verzoek heeft een verzekeringsarts op 18 april 2018 rapporten uitgebracht. De verzekeringarts is tot de conclusie gekomen dat het uit medisch oogpunt niet plausibel is om de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen op 6 april 2014. Op medische gronden is het duidelijk dat 7 oktober 2015 de feitelijk eerste arbeidsongeschiktheidsdag is waarop appellant niet meer heeft kunnen werken. Overeenkomstig deze rapporten heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2018 het verzoek van appellant afgewezen.
1.4.
In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij in ieder geval vanaf 2014 tenminste enkele maanden per jaar niet in staat is geweest om te werken. Naar zijn mening betekent dit, gezien het excessief te verwachten ziekteverzuim, dat er vanaf dit moment sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Daarbij heeft hij verwezen naar een uitspraak van de Raad van 24 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1629.
1.5.
Bij besluit van 14 september 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit 23 april 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van 14 september 2018 van een verzekeringarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het verzoek van appellant ertoe strekt dat het Uwv – zowel voor het verleden als voor de toekomst in het kader van de bepaling van de hoogte van het maatmaninkomen – terugkomt van het bestreden besluit. Appellant heeft gesteld dat bij een eerdere ingangsdatum van de IVA-uitkering hij een hogere uitkering ontvangt, omdat hij in de alsdan van toepassing zijnde referteperiode meer verdiende. Wat betreft het verzoek van appellant om terug te komen voor het verleden heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Wat betreft het verzoek voor het verleden is enkel in geschil is of de besluitvorming van het Uwv evident onredelijk is. Ter beantwoording van die vraag is het volgende overwogen.
2.2.
De verzekeringarts heeft in zijn rapport van 18 april 2018 overwogen dat uit de beschikbare medische informatie blijkt dat appellant een chronische aandoening heeft welke in wisselende mate klachten en beperkingen veroorzaakt waarbij landurige klachtenvrije perioden zijn voorgekomen. Voorts heeft de verzekeringarts overwogen dat uit een brief van 11 november 2015 van de behandelend neuroloog T.A. Hoogenband-Stroband blijkt dat appellant op 27 oktober 2015 ten overstaan van deze behandelaar heeft verklaard dat hij lange tijd geen pijn heeft gehad. Dit betekent volgens de verzekeringarts dat appellant voor 27 oktober 2015 lange tijd niet arbeidsongeschikt is geweest. Dit strookt ook met het arbeidsverleden van appellant. Op 22 april 2013 heeft appellant zich bij zijn huisarts gemeld met hoofdpijnklachten. Nadien heeft hij nog gewerkt tot het einde van het toenmalige dienstverband in april 2014. Na dit dienstverband is hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend, waarna appellant van 31 juli 2015 tot de datum van ziekmelding op 7 oktober 2015 weer betaalde arbeid heeft verricht. Het vorenstaande heeft de verzekeringarts tot de conclusie gebracht dat er onvoldoende medische grond is om aan te nemen dat appellant vanaf 6 april 2014 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. In een rapport van 14 september 2018 heeft de verzekeringarts bezwaar en beroep deze conclusie onderschreven.
2.3.
Gelet op de consistente motivering en de zorgvuldig wijze waarop de verzekeringartsen tot hun oordeel zijn gekomen, heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de conclusies van de verzekeringartsen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanwijzigingen om te oordelen dat de ingangsdatum van de IVA-uitkering onjuist is vastgesteld. Van een evident onredelijk besluit is dan ook geen sprake en er is ook geen aanleiding om voor de toekomst, vanaf het verzoek om herziening, het maatmaninkomen en de hoogte van de IVA-uitkering te herzien.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de IVA-uitkering hem met ingang van een eerdere datum moet worden toegekend. Met ingang van 4 oktober 2017 is hem een IVAuitkering toegekend op basis van een rapport van de verzekeringarts. Deze verzekeringarts heeft aangegeven dat vanwege het chronisch verloop van de ziekte van appellant vanaf 2012 geen verbetering is opgetreden en dat dit om medische redenen ook niet of nauwelijks te verwachten is. Dit blijkt ook uit het rapport van de behandelend neuroloog van 27 juni 2016. Het Uwv erkent daarmee het bestaande klachtenpatroon waarbij er jaarlijks gedurende een aantal maanden sprake is van zeer ernstige clusterhoofdpijn, met dagelijkse aanvallen met een duur van vier tot vijf uur. Daarvan was ook sprake ten tijde van het aflopen van de voorlaatste arbeidsovereenkomst van appellant per 1 mei 2014. Weliswaar treedt na enkele maanden verbetering op en kan appellant (zoals in 2015) weer maandenlang werken, doch de hoofdpijn komt na enige tijd onverbiddelijk terug.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder dan op 7 oktober 2015 had moeten worden vastgesteld. Hij heeft daarvoor geen nieuwe medische gegevens overgelegd of argumenten aangedragen waarom de motivering van de verzekeringsartsen hierover voor onjuist moeten worden gehouden. De overwegingingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Uit de vaststelling van de verzekeringsarts in het rapport van 25 juli 2017, dat ten grondslag ligt aan de toekenning van de IVA-uitkering, dat appellant sinds vijf jaar aanvallen van hevige hoofdpijn heeft en dat daarin geen verbetering is opgetreden, kan niet de conclusie worden getrokken dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag eerder had moeten worden vastgesteld. De verzekeringsarts onderbouwde hiermee zijn conclusie dat op dat moment verbetering van de klachten niet of nauwelijks te verwachten was. In het rapport van 18 april 2018, hiervoor weergegeven in 2.2, heeft dezelfde verzekeringsarts echter overtuigend gemotiveerd dat ondanks het al langdurig bestaan van de klachten er geen reden is appellant al voor 7 oktober 2015 doorlopend arbeidsongeschikt te achten.
4.2.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst bestaat geen grond voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding.
5. Voor een verordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2021.