ECLI:NL:CRVB:2021:297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde tatoeagewerkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme tip verrichtte het college onderzoek en stelde vast dat appellante in de maanden december 2016, januari 2017 en juli 2017 tot en met april 2018 tatoeages zette, wat op geld waardeerbare werkzaamheden zijn. Appellanten hadden dit niet gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellanten geen objectieve en verifieerbare informatie hadden verstrekt over de aard en omvang van de werkzaamheden. De stelling dat het zetten van tatoeages een hobby was en zonder vergoeding gebeurde, werd niet aannemelijk gemaakt.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat geen sprake was van op geld waardeerbare werkzaamheden en dat door zwangerschappen en ziekte geen werkzaamheden konden worden verricht. De Raad oordeelde dat de Facebookpagina met foto’s en berichten voldoende bewijs leverde dat appellante tatoeages zette. De stellingen van appellanten werden onvoldoende onderbouwd en konden het oordeel niet veranderen.
De Raad bevestigde dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door de werkzaamheden niet te melden. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd wegens niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden.