Uitspraak
20 3395 WIA
PROCESVERLOOP
W.L.J. Weltevrede.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als orderverzamelaar, meldde zich ziek vanwege rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant slechts 2,41% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn beperkingen en medicatiegebruik onvoldoende waren meegewogen. Zowel een verzekeringsarts bezwaar en beroep als een arbeidsdeskundige handhaafden het oorspronkelijke oordeel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functionele beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en stelde dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn rugklachten en dat relevante medische informatie niet was opgevraagd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de FML adequaat rekening hield met de rugklachten en dat de geselecteerde functies passend waren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.