Uitspraak
17.3790 WIA, 21/2136 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
verklaard;
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het UWV om zijn WGA-vervolguitkering te verlagen naar een arbeidsongeschiktheid van 39,8%. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het UWV een door de Raad benoemde beperking in het verdelen van de aandacht niet had overgenomen, waardoor het medische motiveringsgebrek bestond.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het UWV een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld waarin de beperking in het verdelen van de aandacht alsnog is opgenomen, wat leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 47,82%. De arbeidsdeskundige heeft de voorbeeldfuncties aangepast en toegelicht dat de functies geschikt zijn voor appellant, waarbij vooral sprake is van het richten van de aandacht op één informatiebron.
Appellant betwistte de nieuwe FML en stelde dat hij sterk beperkt is in het verdelen van de aandacht en dat de functiebelasting onvoldoende gemotiveerd is. Het UWV verwees naar medische rapporten waarin geen grond was voor een sterkere beperking. De Raad oordeelde dat het UWV de beperking correct heeft overgenomen en de geselecteerde functies passend zijn.
De Raad vernietigt het eerdere besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro en verklaart het beroep gegrond. Het beroep tegen het nieuwe besluit wordt ongegrond verklaard. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskostenvergoeding aan appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het nieuwe besluit bevestigd, en het UWV veroordeeld tot betaling van rente en proceskosten.