ECLI:NL:CRVB:2021:3011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als voorman/schoonmaker, meldde zich ziek op 1 november 2016 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkingen ondervindt dan het UWV heeft vastgesteld, waaronder slaapproblemen en bijwerkingen van zware medicatie, en dat de arbeidskundige onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn. Ook verzocht hij om een onafhankelijk deskundige.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het beroep op het equality of arms-beginsel. Er was geen aanleiding voor een onafhankelijk deskundige. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.