Uitspraak
18.5446 PW, 18/5448 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand vanaf november 2012 en erfde na het overlijden van zijn tante op 17 januari 2015 een bedrag van €41.500,-. Het college van burgemeester en wethouders van Emmen vorderde op basis van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet de bijstand terug over de periode vanaf het overlijden tot april 2016, omdat het erfdeel de vermogensvrijlatingsgrens overschreed.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij pas in mei 2016 over de erfenis kon beschikken en dat het college in redelijkheid geen terugvordering mocht toepassen. De Raad oordeelde dat de aanspraak op het erfdeel ontstaat bij het overlijden, waardoor het college bevoegd was tot terugvordering vanaf die datum. Het beleid van het college om terug te vorderen tenzij dringende redenen bestaan, werd als redelijke beleidsbepaling beoordeeld.
De Raad concludeerde dat de omstandigheden van appellant, waaronder het gebruik van het geld voor schuldenaflossing, geen dringende redenen vormen om af te zien van terugvordering. Ook wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af. Daarmee werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand vanaf het overlijden van de tante wordt bevestigd.