ECLI:NL:CRVB:2021:304

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
16 februari 2021
Zaaknummer
18/5446 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, ParticipatiewetArt. 475b Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475c Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475d Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid tot terugvordering bijstand na overlijden tante en toepassing beleidsregels

Appellant ontving bijstand vanaf november 2012 en erfde na het overlijden van zijn tante op 17 januari 2015 een bedrag van €41.500,-. Het college van burgemeester en wethouders van Emmen vorderde op basis van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet de bijstand terug over de periode vanaf het overlijden tot april 2016, omdat het erfdeel de vermogensvrijlatingsgrens overschreed.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij pas in mei 2016 over de erfenis kon beschikken en dat het college in redelijkheid geen terugvordering mocht toepassen. De Raad oordeelde dat de aanspraak op het erfdeel ontstaat bij het overlijden, waardoor het college bevoegd was tot terugvordering vanaf die datum. Het beleid van het college om terug te vorderen tenzij dringende redenen bestaan, werd als redelijke beleidsbepaling beoordeeld.

De Raad concludeerde dat de omstandigheden van appellant, waaronder het gebruik van het geld voor schuldenaflossing, geen dringende redenen vormen om af te zien van terugvordering. Ook wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af. Daarmee werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand vanaf het overlijden van de tante wordt bevestigd.

Uitspraak

18.5446 PW, 18/5448 PW

Datum uitspraak: 2 februari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 oktober 2018, 16/4232 en 17/1679 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant heeft mr. M.H. van der Linden, advocaat, nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 15 november 2012 bijstand, naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Op 17 januari 2015 is de tante van appellant overleden. Appellant heeft op 27 mei 2016 in verband met de afwikkeling van de nalatenschap van zijn tante een bedrag van € 33.800,- ontvangen. In de maanden daarvoor heeft appellant voorschotten tot een bedrag van € 7.700,- ontvangen.
1.3.
Bij besluit van 21 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 maart 2017 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW de over de periode van 17 januari 2015 tot en met 30 april 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.935,65 van appellant teruggevorderd. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant vanaf 17 januari 2015 een aanspraak had op een erfenis van € 41.500,-. Dit bedrag is hoger dan de voor appellant geldende vermogensvrijlatingsgrens.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Ook heeft appellant verzocht om het college te veroordelen tot het vergoeden van schade.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het college de bijstand niet mocht terugvorderen vanaf
17 januari 2015, omdat hij pas in mei 2016 over de erfenis kon beschikken. Deze grond slaagt niet. Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW kan het college de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen kan beschikken. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand kunnen worden teruggevorderd, die niet zouden zijn verleend als de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar komende middelen had kunnen beschikken. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW biedt dan ook een terugvorderingsgrond, als er bepaalde middelen of aanspraken daarop zijn, maar de betrokkene daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan beschikken. Zodra de betrokkene over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie tot terugvordering overgaan. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1356) is voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW het tijdstip van overlijden van de erflater het tijdstip waarop de aanspraak op het erfdeel ontstaat. Het college was daarom bevoegd om de bijstand terug te vorderen vanaf 17 januari 2015.
4.2.
Appellant heeft verder aangevoerd dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering. Deze grond slaagt ook niet. Bij de uitoefening van de bevoegdheid voert het college het beleid dat de betaalde bijstand wordt teruggevorderd, tenzij dringende redenen bestaan. De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat. Dat appellant veel heeft meegemaakt en dat hij het geld deels heeft besteed aan het aflossen van schulden, maakt niet dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Hierbij is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. Appellant heeft bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een schadevergoeding of veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2021.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) M. Buur