Appellant ontving sinds 2010 bijstand en kreeg in 2017 een legaat van €85.131,- na het overlijden van zijn vader. Het dagelijks bestuur startte een onderzoek naar het recht op bijstand vanwege vermoedens van niet gemelde inkomsten en vermogen.
Na diverse besluiten werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van november 2014 tot juni 2015. Appellant kreeg een schriftelijke waarschuwing omdat hij het bezit van een Mercedes en een Volkswagen Transporter niet had gemeld, hoewel dit niet leidde tot benadeling.
De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur bevoegd was tot terugvordering op grond van de Participatiewet, omdat het legaat betrekking had op de periode waarover bijstand was verleend. De waarschuwing werd gegrond verklaard vanwege schending van de inlichtingenplicht, maar zonder benadeling.
Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd en het dagelijks bestuur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.