ECLI:NL:CRVB:2021:3051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling mate arbeidsongeschiktheid op 40,26% bij WIA-uitkering
Appellant, werkzaam als algemeen medewerker, meldde zich ziek in januari 2014 en kreeg na verschillende medische beoordelingen een WIA-uitkering toegekend vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2018 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 40,26%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat er onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten, en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze conclusie. De Raad vond dat de medische informatie, inclusief die van psychiaters en orthopedisch chirurg, geen aanleiding gaf tot het aannemen van meer beperkingen. Ook werd geoordeeld dat de geselecteerde functies passend waren, mede gelet op de achtergrond en taalvaardigheid van appellant.
Verder werd vastgesteld dat het UWV niet onzorgvuldig had gehandeld en het verbod van reformatio in peius niet was geschonden, omdat appellant na bezwaar niet in een slechtere positie was gekomen. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 40,26% wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.