ECLI:NL:CRVB:2021:3068

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2021
Publicatiedatum
8 december 2021
Zaaknummer
19/1414 AKW-W-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken om wraking van behandelend rechter in hoger beroep sociale zekerheidszaken

Verzoekers hebben in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om wraking van de behandelend rechter vanwege diens betrokkenheid bij een eerdere onwelgevallige uitspraak.

De Raad heeft overwogen dat een wrakingsgrond moet zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid van de rechter. Er geldt een vermoeden van onpartijdigheid dat alleen bij uitzonderlijke omstandigheden kan worden doorbroken.

Het enkele feit dat de rechter eerder een onwelgevallige uitspraak deed, vormt geen reden om aan onpartijdigheid te twijfelen. Verzoekers hebben geen concrete aanwijzingen aangevoerd die het vermoeden van onpartijdigheid ontkrachten.

Daarom zijn de verzoeken om wraking afgewezen. Tevens is geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

De beslissing is op 6 december 2021 door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verzoeken om wraking van de behandelend rechter worden afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

19/1414 AKW-W-PV, 19/2559 AKW-W-PV, 19/5413 AKW-W-PV
Datum beslissing: 6 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing op de verzoeken om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats 1] (verzoeker)
[verzoekster] te [woonplaats 2] (verzoekster)
Zitting hebben: E.J.M. Heijs (voorzitter), G.M.G. Hink en E. Dijt
Griffier: J.E. Mink
Ter zitting is verschenen: [naam] , gemachtigde van verzoekers
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst de verzoeken om wraking af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Op 4 november 2021 heeft de Raad verzoekers en de Sociale verzekeringsbank (Svb) uitgenodigd voor de behandeling van de hoger beroepen van verzoekers en de Svb op de zitting van 15 december 2021. Daarbij is aan verzoekers meegedeeld dat de hoger beroepen zullen worden behandeld door D.S. de Vries, E.J. Otten en R.M. van Male. Per e-mail van 8 november 2021 hebben verzoekers erop gewezen dat De Vries (behandelend rechter) betrokken is geweest bij een uitspraak waarvan in het geding wordt verzocht terug te komen. Verzoekers hebben gevraagd of zij hieraan enige consequentie verbindt. Bij brieven van 18 november 2021 heeft de Raad verzoekers bericht dat de zaken in dezelfde samenstelling worden behandeld. Bij brief van 22 november 2021 hebben verzoekers verzocht om wraking van de behandelend rechter. De behandelend rechter heeft schriftelijk te kennen gegeven niet in het wrakingsverzoek te berusten.
2. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak behandelt. Bij de beoordeling van een verzoek om wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, moet dit vermoeden wijken (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:370).
3. Het gegeven dat de behandelend rechter als voorzitter in een eerder door de Raad behandelde zaak een voor verzoekers onwelgevallige uitspraak heeft gedaan, betekent niet dat zij in de hoger beroepszaken niet onbevooroordeeld zou kunnen beslissen. Omstandigheden die een aanwijzing vormen voor het oordeel dat de behandelend rechter jegens verzoekers vooringenomen is en dat zij in dit geval niet (meer) objectief zou kunnen oordelen, zijn door verzoekers niet naar voren gebracht. Verzoekers kunnen de juistheid van de eerdere rechtspraak in hun hoger beroepszaken aan de orde stellen.
4. Voor een veroordeling in de proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J.E. Mink (getekend) E.J.M. Heijs