ECLI:NL:CRVB:2021:3087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over WIA-vervolguitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als interieurverzorgster, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij gedeeltelijk arbeidsongeschikt was met een mate van 35 tot 45%, en kende haar een WGA-vervolguitkering toe per 11 oktober 2018.
Appellante stelde in bezwaar en beroep dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen ernstiger waren, onder meer door een later vastgestelde borderline diagnose en andere aandoeningen. Zij verzocht ook om benoeming van een deskundige en een IVA-uitkering. De rechtbank wees haar beroep af en bevestigde de zorgvuldigheid van het onderzoek en de juiste toepassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen (geen schending van equality of arms), en dat de verzekeringsarts terecht concludeerde dat appellante niet voldeed aan de criteria voor geen benutbare mogelijkheden. De Raad vond geen aanleiding om het UWV-besluit te vernietigen of een deskundige te benoemen, en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot toekenning van een WIA-vervolguitkering van 35 tot 45% wordt bevestigd.