ECLI:NL:CRVB:2021:3117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum volledige arbeidsongeschiktheid op 3 oktober 2016
Appellante, voormalig assistent filiaalleidster, meldde zich in 2004 ziek met klachten aan het bewegingsapparaat en psychische klachten. Het Uwv kende haar vanaf 2006 een gedeeltelijke WGA-uitkering toe, die in 2007 werd aangepast. Na verzoeken tot herbeoordeling stelde het Uwv in 2018 vast dat zij vanaf 1 oktober 2017 volledig arbeidsongeschikt was, met een aangepaste uitkering vanaf 1 december 2017.
Appellante maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en stelde dat de volledige arbeidsongeschiktheid eerder was ingetreden, namelijk per 1 januari 2012. Het Uwv wijzigde de ingangsdatum naar 3 oktober 2016, waarna de rechtbank dit besluit bevestigde. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de ingangsdatum voldoende was gemotiveerd, mede gelet op het feit dat actieve fysiotherapie pas vanaf oktober 2016 op gang kwam.
In hoger beroep voerde appellante aan dat eerdere Mensendiecktherapie in 2011-2012 een eerdere ingangsdatum rechtvaardigde en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat de medische stukken, waaronder het huisartsenjournaal en rapporten van verzekeringsartsen, voldoende inzichtelijk en consistent waren. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat de ingangsdatum niet verder teruggelegd kon worden dan 3 oktober 2016 en dat het beroep op het arrest Korošec geen aanleiding gaf tot benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De ingangsdatum van de volledige arbeidsongeschiktheid is juist vastgesteld op 3 oktober 2016 en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.