ECLI:NL:CRVB:2021:3128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering en toekenning WGA-vervolguitkering met vaststelling arbeidsongeschiktheid
Appellante was participatiecoach en meldde zich ziek na een auto-ongeval. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 47% arbeidsongeschiktheid, die per 7 juli 2016 werd beëindigd en omgezet in een WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%, zonder voorafgaand medisch en arbeidskundig onderzoek.
Na bezwaar vonden alsnog onderzoeken plaats, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen vaststelden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek zorgvuldig werd bevonden en de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt over verdere beperkingen, onderbouwd met neuropsychologisch onderzoek en psychiatrische verklaringen. De Raad liet een deskundige rapporteren die geen aanwijzingen vond voor organisch psychosyndroom of hersenschade en bevestigde de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WGA-vervolguitkering toekende met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. De procedurele tekortkoming in het besluit werd gepasseerd omdat appellante daardoor niet werd benadeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd om de loongerelateerde WGA-uitkering te beëindigen en een WGA-vervolguitkering toe te kennen met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%.