ECLI:NL:CRVB:2021:3135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd
Appellante was werkzaam als receptioniste en meldde zich ziek met burn-out en migraine. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, die na een eerstejaars beoordeling werd voortgezet. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek in 2018 stelde het UWV vast dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde de ZW-uitkering per 11 november 2018.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen de weigering van een WIA-uitkering, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij het onderzoek zorgvuldig werd bevonden en de belastbaarheid conform de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten, waaronder een angst- en paniekstoornis met agorafobie, onvoldoende waren erkend en dat zij de geselecteerde functies niet kon verrichten. De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, de psychische beperkingen waren erkend en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij ook werd overwogen dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.