ECLI:NL:CRVB:2021:3140

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2021
Publicatiedatum
14 december 2021
Zaaknummer
20/840 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 19ab ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek

Appellant, werkzaam als chauffeur, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de medische beperkingen adequaat waren vastgesteld.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten waaronder het syndroom van Klippel-Trenaunay, de ziekte van Hirschsprung, schildklierproblemen en psychische klachten, en betoogde dat de beperkingen onvoldoende waren erkend. De Raad overwoog dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet alleen de primaire arts had geraadpleegd, maar ook brieven van behandelend artsen had betrokken en dat er geen reden was om te twijfelen aan de medische beoordeling en de passendheid van de geselecteerde functies.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

20 840 ZW

Datum uitspraak: 9 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 januari 2020, 19/1037 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgeefster] B.V. (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft M. van der Veen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens werkgeefster heeft mr. C.J.M. de Wit, advocaat, een zienswijze ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2021. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich via een telefonische verbinding laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Namens werkgeefster heeft mr. De Wit via videobellen aan de zitting deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft bij werkgeefster gewerkt als chauffeur. Op 28 augustus 2017 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. Nadien heeft hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen van werkgeefster.
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 juli 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 70,08% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 30 juli 2018 de ZWuitkering van appellant met ingang van 28 september 2018 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 26 maart 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig was. De arts heeft dossieronderzoek gedaan en appellant gezien op het spreekuur waar zij een anamnese heeft afgenomen en een observerend lichamelijk en psychisch onderzoek heeft verricht. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie gedaan. De door appellant overgelegde informatie van de behandelend artsen is daarbij betrokken. Verder heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Dat appellant lijdt aan het syndroom van Klippel-Trenaunay is bekend en daarvoor zijn ook beperkingen aangenomen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de schildklierklachten met medicatie goed onder controle zijn en dat appellant geen actuele klachten heeft van de ziekte van Hirschsprung. Hiervoor zijn daarom terecht geen beperkingen aangenomen. Dat geldt ook voor de psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de arts bij zijn onderzoek geen afwijkingen op psychisch gebied heeft waargenomen en ook uit de brief van de behandelend psycholoog geen ernstig medisch beeld naar voren komt. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat binnen de vastgestelde beperkingen voldoende ruimte bestaat om op te staan, de benen te strekken, op de plaats te stappen of even te lopen. Voor de stelling van appellant dat verdergaande beperkingen voor zitten, staan en lopen hadden moeten worden vastgesteld en dat de noodzaak tot vertreden had moeten worden opgenomen in de FML, ontbreekt een medische onderbouwing. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passen binnen de bij appellant vastgestelde beperkingen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij lijdt aan de ziekte van Hirschsprung en het syndroom Klippel-Trenaunay. Daarnaast is sprake van schildklierproblematiek en psychische klachten. Hij is niet of nauwelijks in staat om te zitten, staan, lopen, knielen en hurken en het is belangrijk dat hij de mogelijkheid heeft om te vertreden. De aandoeningen waaraan hij lijdt zijn zeldzaam en volgens appellant hebben de (verzekerings)artsen van het Uwv niet de indruk gewekt dat zij op de hoogte zijn van de aard en ernst hiervan. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
3.3.
Werkgeefster heeft eveneens bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen zoals onder 2 weergegeven. Benadrukt wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet alleen af is gegaan op de onderzoeksbevindingen van de primaire arts, maar ook de brieven van behandelend artsen die appellant tijdens de bezwaarprocedure heeft ingediend kenbaar in haar beoordeling heeft betrokken. Er is geen reden om te veronderstellen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende informatie had over de aard en ernst van de medische problematiek om te kunnen komen tot een verantwoorde heroverweging van de medische beoordeling. Evenmin geeft wat appellant heeft aangevoerd aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de passendheid van de geselecteerde functies.
4.3.
De overweging in 4.2 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van R. van der Heide als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2021.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) R. van der Heide