ECLI:NL:CRVB:2021:3140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek
Appellant, werkzaam als chauffeur, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de medische beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten waaronder het syndroom van Klippel-Trenaunay, de ziekte van Hirschsprung, schildklierproblemen en psychische klachten, en betoogde dat de beperkingen onvoldoende waren erkend. De Raad overwoog dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet alleen de primaire arts had geraadpleegd, maar ook brieven van behandelend artsen had betrokken en dat er geen reden was om te twijfelen aan de medische beoordeling en de passendheid van de geselecteerde functies.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.