ECLI:NL:CRVB:2021:3177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld en geen recht op WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich op 1 mei 2017 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem ziekengeld toe op basis van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige bepaalde dat appellant nog 72,48% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde het ziekengeld per 30 juni 2018, later aangepast tot 22 maart 2019.
Appellant vroeg vervolgens een WIA-uitkering aan, maar het UWV wees dit af omdat hij de wachttijd van 104 weken niet had vervuld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en de functies geschikt voor appellant.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn visus onvoldoende was onderzocht en dat de functies precisiewerk vereisten die hij niet kon verrichten. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts dat met correctie een vrijwel normale visus werd bereikt en dat er geen reden was voor extra beperkingen. De Raad bevestigde dat appellant niet voldeed aan de wachttijd voor WIA en dat het hoger beroep ongegrond is.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ziekengeld en het ontbreken van recht op WIA-uitkering worden bevestigd.