ECLI:NL:CRVB:2021:3181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en zorgvuldigheid UWV-besluit in WIA-procedure
Appellant, die sinds 2013 gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV per 10 mei 2016 op 61,12%. Hij stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met zijn psychische klachten en dat hij geen eerlijk proces kreeg vanwege het ontbreken van een onafhankelijke medisch deskundige.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen passend waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze overwegingen en bevestigt dat het medisch beeld op de datum in geding geen aanleiding geeft tot de conclusie van geen benutbare mogelijkheden.
De Raad gaat in op de door appellant aangevoerde schending van het fair trial-beginsel en stelt dat de drie-stappen toetsing (zorgvuldigheid, equality of arms en inhoudelijke beoordeling) adequaat is. Appellant kon medische stukken indienen en er is geen sprake van wapenongelijkheid.
De Raad concludeert dat de verzekeringsarts de beperkingen adequaat heeft gemotiveerd en dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van 61,12% arbeidsongeschiktheid per 10 mei 2016 door het UWV wordt bevestigd.