In deze zaak stond het beroep van appellante tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht centraal, waarbij haar verzoek om kwijtschelding van een restschuld werd afgewezen. De Raad stelde vast dat het college ten onrechte een verkeerde beleidsregel had toegepast en gaf het college de gelegenheid tot een nieuwe belangenafweging.
Het college kwam met een nader besluit waarin het volledige kwijtschelding verleende over de periode van 27 juni 2017 tot 1 februari 2020 en onverschuldigde betalingen betaalbaar stelde. Appellante was het niet eens met het nader besluit omdat zij vond dat het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit uit 2010 volledig heroverwogen had moeten worden en verzocht tevens om schadevergoeding wegens geleden vermogensschade en immateriële schade.
De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit buiten de reikwijdte van dit geding viel en dat het nader besluit het kwijtscheldingsverzoek volledig tegemoetkwam. Het beroep tegen het nader besluit werd daarom ongegrond verklaard. Ten aanzien van de schadevergoeding stelde de Raad vast dat alleen de wettelijke rente over de onverschuldigde betalingen als vergoeding kan dienen en dat verdergaande schadeclaims, waaronder immateriële schade, niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het besluit van 16 januari 2018 gegrond en het beroep tegen het nader besluit ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed.