Betrokkene, werkzaam bij de gemeente Amstelveen, kreeg op 30 april 2019 voorwaardelijk ongevraagd ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim, met een proeftijd van één jaar. Tijdens deze proeftijd maakte hij zich opnieuw schuldig aan soortgelijk plichtsverzuim, waaronder beledigende uitlatingen over zijn teamleider, wat leidde tot het besluit tot tenuitvoerlegging van het ontslag per 1 oktober 2019.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat het plichtsverzuim niet zwaar genoeg was voor tenuitvoerlegging. Het college ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde of betrokkene zich binnen de proeftijd schuldig had gemaakt aan soortgelijk of ernstig plichtsverzuim en of dit hem kon worden toegerekend. Betrokkene erkende zijn uitlatingen, maar voerde medische omstandigheden aan die zijn gedrag zouden verklaren. De Raad oordeelde dat betrokkene de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag kon inzien en dat het plichtsverzuim hem toerekenbaar is.
De Raad stelde vast dat de voorwaarde voor tenuitvoerlegging was vervuld en dat het college in redelijkheid tot tenuitvoerlegging kon besluiten. Een evenredigheidstoetsing is hierbij niet aan de orde. Het hoger beroep van het college werd gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene verworpen en de aangevallen uitspraak vernietigd.