ECLI:NL:CRVB:2021:3219
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening aanstellingsbesluit inzake inschaling politie
Appellant is op 28 januari 2019 aangesteld in een functie bij de politie met een inschaling in salarisschaal 6, trede 1, conform artikel 3, derde lid van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Hij verzocht op 6 juni 2019 om herziening van dit aanstellingsbesluit vanwege een vermeende onjuiste toepassing van het genoemde artikel, omdat bij de berekening van het salaris een te laag bruto inkomen zou zijn gehanteerd.
De korpschef wees dit verzoek af, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden en dat de inkomenscomponenten van het voorgaande dienstverband terecht niet waren meegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel niet meebrengt dat fouten uit het verleden herhaald moeten worden.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad benadrukt dat het begrip 'vast bruto inkomen' in artikel 3, derde lid Bbp, strikt moet worden uitgelegd en dat de door appellant aangevoerde vaste vergoeding niet onder dit begrip valt. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat er geen sprake is van een bestendige gedragslijn of beleidslijn die tot een andere inschaling zou leiden.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is en dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het aanstellingsbesluit inzake de inschaling wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.