Appellant, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, werd beschuldigd van verkrachting door een persoon E, waarna het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek startte dat uiteindelijk werd geseponeerd.
Appellant verzocht de minister van Defensie om vergoeding van de kosten van rechtskundige hulp, maar dit werd afgewezen omdat de verdenking niet voortkwam uit handelingen in de uitoefening van zijn ambt of functie. De rechtbank vernietigde het besluit wegens een bevoegdheidsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep stelde appellant dat de minister ook op andere gronden tegemoetkoming had moeten verlenen en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de verdenking verband hield met zijn functie en dat het gelijkheidsbeginsel niet meebrengt dat fouten uit het verleden herhaald moeten worden.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het beroep van appellant af, zonder proceskosten toe te kennen.