Uitspraak
19.5021 PW-PV
mr. K.J. de Vaan, advocaat en kantoorgenoot van mr. W.H. Boomstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge.
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak stond de vraag centraal of er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering van bijstand op grond van artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet. Appellante stelde dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor haar zou hebben, maar heeft ter zitting geen stukken of gegevens overgelegd ter onderbouwing van deze stelling.
De Centrale Raad van Beroep heeft vastgesteld dat dringende redenen slechts kunnen worden aangenomen indien sprake is van bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden die een individuele afweging rechtvaardigen. Omdat appellante deze dringende redenen niet aannemelijk heeft gemaakt, is het hoger beroep ongegrond verklaard.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt daarmee bevestigd. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 oktober 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellante geen dringende redenen heeft aangetoond om van terugvordering af te zien.