ECLI:NL:CRVB:2021:3251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage op 44,52% in WIA-zaak
Appellante, voormalig productiemedewerker en orderpicker, meldde zich in 2015 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar vanaf 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 51,61%. Na herbeoordeling in 2019 stelde het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage vast op 44,52%, gebaseerd op medische rapporten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat haar beperkingen duurzaam zijn en dat een individuele beoordeling ontbrak. Zij verzocht tevens om arbeidsdiagnostisch onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen de situatie van appellante op de datum in geding zorgvuldig hadden beoordeeld, rekening houdend met al haar klachten en aandoeningen. De Raad vond geen aanleiding voor aanvullend arbeidsdiagnostisch onderzoek en concludeerde dat de functies waarop de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage is gebaseerd medisch passend zijn.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het arbeidsongeschiktheidspercentage van 44,52% wordt bevestigd.