ECLI:NL:CRVB:2021:3276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op gehuwdenpensioen bij niet duurzaam gescheiden leven
Appellant ontving een AOW-pensioen als ongehuwde en trouwde op 25 september 2019. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot dat appellant per 1 oktober 2019 recht had op een gehuwdenpensioen omdat hij niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er geen sprake was van een gewilde verbreking van de huwelijkse samenleving.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij en zijn echtgenote financieel onafhankelijk zijn, gescheiden huishoudens voeren en dat de huwelijkse voorwaarden een koude uitsluiting bevatten. De Raad overwoog dat duurzaam gescheiden leven pas aan de orde is als aan alle voorwaarden wordt voldaan: ten minste één wil de samenleving verbreken, beiden leiden een eigen leven alsof ze niet gehuwd zijn, en ten minste één bedoelt dit blijvend. Uit de feiten bleek dat appellant en zijn echtgenote een LAT-relatie hadden maar zich als stel presenteerden en regelmatig contact hadden.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellant geen nieuwe argumenten had aangevoerd die tot een andere uitkomst konden leiden. Daarom werd het bestreden besluit van de Svb bevestigd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 1 oktober 2019 niet duurzaam gescheiden leefde en recht heeft op een gehuwdenpensioen.