ECLI:NL:CRVB:2021:3276

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
20/3715 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 sub b AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging recht op gehuwdenpensioen bij niet duurzaam gescheiden leven

Appellant ontving een AOW-pensioen als ongehuwde en trouwde op 25 september 2019. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot dat appellant per 1 oktober 2019 recht had op een gehuwdenpensioen omdat hij niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er geen sprake was van een gewilde verbreking van de huwelijkse samenleving.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij en zijn echtgenote financieel onafhankelijk zijn, gescheiden huishoudens voeren en dat de huwelijkse voorwaarden een koude uitsluiting bevatten. De Raad overwoog dat duurzaam gescheiden leven pas aan de orde is als aan alle voorwaarden wordt voldaan: ten minste één wil de samenleving verbreken, beiden leiden een eigen leven alsof ze niet gehuwd zijn, en ten minste één bedoelt dit blijvend. Uit de feiten bleek dat appellant en zijn echtgenote een LAT-relatie hadden maar zich als stel presenteerden en regelmatig contact hadden.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellant geen nieuwe argumenten had aangevoerd die tot een andere uitkomst konden leiden. Daarom werd het bestreden besluit van de Svb bevestigd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 1 oktober 2019 niet duurzaam gescheiden leefde en recht heeft op een gehuwdenpensioen.

Uitspraak

20.3715 AOW

Datum uitspraak: 23 december 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2020, 20/1167 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Krol-Postma, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de Svb schriftelijk vragen gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Krol-Postma. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Hij is op 25 september 2019 in het huwelijk getreden met [naam echtgenote] (echtgenote).
1.2.
Met een besluit van 13 januari 2020 heeft de Svb appellant laten weten dat hij per 1 oktober 2019 recht heeft op een ouderdomspensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde, omdat uit onderzoek is gebleken dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven tussen hem en zijn echtgenote. In een beslissing van 2 maart 2020 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de Svb terecht de vraag beantwoord of sprake is van duurzaam gescheiden leven en niet de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat er geen sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Appellant en zijn echtgenote hebben al lange tijd een LAT-relatie en de invulling van hun relatie is na het huwelijk niet gewijzigd. Zij hebben regelmatig (telefonisch) contact met elkaar, bezoeken elkaar regelmatig, ondernemen samen activiteiten en presenteren zich naar buiten toe als stel. Eén van de redenen voor het huwelijk is de zorg voor de financiële toekomst van de echtgenote bij overlijden. Dat de echtgenote van appellant in het kader van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemer door de gemeente Amsterdam – op grond van de daar verstrekte informatie – is aangemerkt als alleenstaande, doet hieraan niet af. Evenmin is er sprake van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gehuwden met ieder een eigen huishouding en ongehuwden met ieder een eigen huishouding.
3.1.
In hoger beroep stelt appellant in essentie dat hij een leven leidt als een ongehuwde. Hij en zijn echtgenote zijn financieel onafhankelijk van elkaar, zij voeren – ook in verband met zijn medische situatie – gescheiden huishoudens en in de huwelijkse voorwaarden is sprake van een ‘koude uitsluiting’. De beschreven toestand is als bestendig bedoeld.
3.2.
De Svb heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.2.
Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b) ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c) ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932). Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken (uitspraken van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093).
Verder kan in het algemeen worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk betrokkenen de intentie hebben om een vorm van echtelijke samenleving aan te gaan. Dat kan ook op een andere manier dan door het voeren van een gezamenlijke huishouding. Er kan niet helemaal worden uitgesloten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken. Dat moet dan wel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijken.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank dat appellant per 1 oktober 2019 niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote en de overwegingen waarop de rechtbank dit oordeel heeft gebaseerd, worden onderschreven. De rechtbank heeft het juiste toetsingskader toegepast en, in overeenstemming met de in 4.2 genoemde rechtspraak, alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd en op juiste wijze gewogen. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd die tot een andere uitkomst kunnen leiden.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat de Svb terecht heeft bepaald dat appellant per 1 oktober 2019 recht heeft op een gehuwdenpensioen. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2021.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) D. Al-Zubaidi
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.