ECLI:NL:CRVB:2021:3282

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
24 december 2021
Zaaknummer
19/3863 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbParticipatiewetBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep succesvol: bijstand verleend vanaf datum eerste aanvraag

Appellant heeft op 30 augustus 2018 bijstand aangevraagd, welke door het college werd afgewezen wegens onvoldoende informatie. Na meerdere nieuwe aanvragen en besluiten verleende het college bijstand pas met ingang van 15 mei 2019. Appellant voerde aan dat bijstand met terugwerkende kracht vanaf de eerste aanvraag moest worden verleend.

De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten van het college ongegrond. In hoger beroep stelde het college zich op het standpunt dat achteraf geen grondslag bestond voor de afwijzing van de eerste aanvraag en dat bijstand per die datum moet worden verleend.

De Raad vernietigt de eerdere uitspraken en besluiten, herroept de afwijzingen en bepaalt dat bijstand aan appellant wordt verleend vanaf 30 augustus 2018. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Bijstand wordt verleend vanaf 30 augustus 2018 en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

19.3863 PW, 20/1424 PW, 20/1737 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2019, 19/1935, 7 april 2020, 19/5718, en 28 april 2020, 19/5903 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 21 december 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft in zaak 20/1737 PW een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Baaren en vergezeld van H. Kazmi als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keijser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 29 november 2017 zijn bedrijf, [bedrijfsnaam] , verkocht voor € 19.000,-. Op 30 augustus 2018 heeft hij bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (aanvraag 1). Bij besluit van 30 oktober 2018 heeft het college aanvraag 1 afgewezen (besluit 1). Bij besluit van dezelfde datum heeft het college de verstrekte voorschotten van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 1.704,12 (besluit 2). Bij besluit van 15 april 2019 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. In het bijzonder ontbreken bankafschriften van de zakelijke rekening van appellant en heeft appellant geen verifieerbare gegevens verstrekt over de besteding van het verkoopbedrag van € 19.000,-.
1.2.
Op 28 februari 2019 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd (aanvraag 2). Bij besluit van 29 april 2019 heeft het college aanvraag 2 met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant onder meer een deel van de gevraagde bankafschriften van zijn betaalrekening niet had verstrekt (besluit 3). Bij besluit van dezelfde datum heeft het college het verstrekte voorschot van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 876,85 (besluit 4). Bij besluit van 1 november 2019 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard.
1.3.
Op 15 mei 2019 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd (aanvraag 3). Bij besluit van 19 juli 2019 heeft het college appellant met ingang van 15 mei 2019 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande (besluit 5). Appellant heeft in bezwaar tegen dit besluit aangevoerd dat het college hem vanaf 30 augustus 2018 bijstand moet verlenen. Bij besluit van 15 november 2019 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen besluit 5 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 3 heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die bijstandverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het college heeft zich ter zitting van de Raad nader op het standpunt gesteld dat, achteraf bezien, geen grondslag bestond voor de afwijzing van de aanvraag van 30 augustus 2018 en dat daarom per die datum bijstand moet worden verleend aan appellant.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat aangevallen uitspraak 1 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, bestreden besluit 1 vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de besluiten 1 en 2 te herroepen en te bepalen dat aan appellant met ingang van 30 augustus 2018 bijstand wordt verleend naar de voor hem geldende norm.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat, achteraf bezien, geen grondslag bestond voor het indienen van de aanvragen 2 en 3. Om die reden moeten ook de aangevallen uitspraken 2 en 3 worden vernietigd. De Raad zal de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 gegrond verklaren, deze besluiten vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de besluiten 3 tot en met 5 te herroepen.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden als volgt begroot. In bezwaar op € 2.670,- (2 punten voor de bezwaarschriften en 3 punten voor de hoorzittingen, in totaal 5 punten; € 534,- per punt). In beroep worden de kosten begroot op € 2.992,- (3 punten voor de beroepschriften en 1 punt voor de zitting in het beroep tegen bestreden besluit 1, in totaal 4 punten; € 748,- per punt). In hoger beroep worden de kosten begroot op € 2.992,- (3 punten voor de hoger beroepschriften, 1 punt voor de zitting, in totaal 4 punten; € 748,- per punt). Anders dan het college stelt, is in hoger beroep geen sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. De besluiten die voorlagen verschillen zozeer van karakter dat niet kan worden gezegd dat de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Dat de hoger beroepen gelijktijdig op dezelfde zitting zijn behandeld, maakt dit niet anders. In totaal bedraagt de proceskostenveroordeling € 8.654,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraken;
  • verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 15 april 2019, 1 november 2019 en 15 november 2019;
  • herroept de besluiten van 30 oktober 2018, 29 april 2019 en 19 juli 2019;
  • bepaalt dat aan appellant met ingang van 30 augustus 2018 bijstand wordt verleend naar de voor hem geldende norm en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 15 april 2019, 1 november 2019 en 15 november 2019;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 8.654,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 531,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en W.F. Claessens en T.A. Willems-Dijkstra als leden, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2021.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) Y.S.S. Fatni