Uitspraak
21.34 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft via een uitzendbureau als horecamedewerker gewerkt en zich in 2008 ziek gemeld vanwege psychische en rugklachten. Na verschillende uitkeringen vroeg zij in 2019 een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd vanwege het niet volbrengen van de wachttijd van 104 weken. Na bezwaar en beroep werd de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, ondanks een procedurele tekortkoming dat het UWV geen hoorzitting had gehouden. In hoger beroep handhaafde appellante haar bezwaren, waaronder het ontbreken van een deugdelijk medisch onderzoek en het niet naleven van het fair trial-beginsel, verwijzend naar de Mantovanelli-uitspraak van het EHRM.
De Centrale Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met een spreekuuronderzoek en een bevestiging door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Mantovanelli-uitspraak was niet van toepassing omdat er geen rechterlijk benoemde deskundige was. De laattijdige aanvraag bracht mee dat het risico van onvoldoende medische gegevens voor appellante kwam. Het UWV had voldoende pogingen gedaan om aanvullende informatie te verkrijgen, maar de huisarts reageerde niet. De Raad vond geen aanleiding om de conclusies van het UWV te betwijfelen en bevestigde het besluit om de WIA-uitkering te weigeren.
De Centrale Raad wees verder de proceskosten af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en laattijdige aanvraag.