ECLI:NL:CRVB:2021:3300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand en boete wegens niet melden kasstorting en overschrijvingen
Appellante ontvangt sinds 2006 bijstand en werd in het kader van een heronderzoek geconfronteerd met een kasstorting en drie overschrijvingen op haar bankrekening in de periode 1 augustus 2018 tot en met 31 maart 2019. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag daarop de bijstand en vorderde een bedrag van € 572,99 terug, en legde een boete op wegens het niet melden van deze inkomsten.
Appellante voerde aan dat zij niet vrij over deze bedragen kon beschikken en dat het om eenmalige, niet-periodieke betalingen ging, waaronder een overschrijving met een specifiek doel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de kasstorting en overschrijvingen terecht als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet zijn aangemerkt. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet vrij over deze bedragen kon beschikken of dat het geen inkomen betrof. Door het niet melden van deze bedragen heeft zij de inlichtingenplicht geschonden, waarvoor de opgelegde boete proportioneel is.
De Raad bevestigt daarmee de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand en boete worden bevestigd.