ECLI:NL:CRVB:2021:3316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 55-65%
Appellante, die sinds 2012 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt is, kreeg een WIA-uitkering toegekend door het UWV. Het UWV baseerde de uitkering op een arbeidsongeschiktheidspercentage van ongeveer 62%, dat later werd vastgesteld tussen 55-65%. Na herbeoordelingen in 2016 en 2017 handhaafde het UWV deze mate van arbeidsongeschiktheid op basis van medische en arbeidskundige rapporten.
Appellante voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, onder meer door ADHD, PTSS, depressieve stoornis en lichamelijke klachten. Zij stelde dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet geschikt waren en dat haar arbeidsduurbeperking verdergaand was. De rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was en dat de functies passend waren.
De Raad heropende het onderzoek om nadere informatie over therapietijden te verkrijgen, maar concludeerde dat deze tijd binnen de aangenomen arbeidsduurbeperking viel en geen aanleiding gaf tot wijziging van het oordeel. De Raad bevestigde dat het UWV terecht de WIA-uitkering ongewijzigd heeft gehandhaafd, omdat appellante niet volledig arbeidsongeschikt is en de beperkingen adequaat zijn meegenomen.
De aangevallen uitspraken van de rechtbank worden bevestigd, en de hoger beroepen worden afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht ongewijzigd baseerde op een arbeidsongeschiktheid van 55-65%.