ECLI:NL:CRVB:2021:3318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging AOW-pensioen naar gehuwdennorm bij gezamenlijke huishouding in Duitsland
Appellant, woonachtig in Duitsland sinds 1962, ontving aanvankelijk een AOW-pensioen volgens de alleenstaandennorm. Na een adreswijziging in 2013 onderzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) de woon- en leefsituatie van appellant. De Svb stelde bij besluit van november 2017 vast dat appellant recht heeft op AOW-pensioen naar de gehuwdennorm, omdat hij een gezamenlijke huishouding voert met H.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant en H op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hebben, er sprake is van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling, waarmee voldaan is aan de criteria van een gezamenlijke huishouding. Appellant voerde in hoger beroep aan dat geen gezamenlijke huishouding bestond.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het criterium van gezamenlijke huishouding niet afhangt van vriendschappelijke betrekkingen of intenties, maar van het feitelijk samenwonen en het zorgen voor elkaar, onder meer door financiële bijdragen. Uit de feiten bleek dat appellant en H samenwonen, wederzijdse zorg verlenen en bijdragen aan de huishoudkosten.
De Raad concludeerde dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat het AOW-pensioen terecht naar de gehuwdennorm is vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van het AOW-pensioen naar de gehuwdennorm bevestigd.