Betrokkene was sinds 2014 werkzaam als leidinggevende bij de gemeente Utrecht en belast met personeelsplanning, wat ongeveer 80% van haar werkzaamheden omvatte. In 2019 voelde zij zich overbelast en meldde zich ziek. Het college besloot daarop haar taken op het gebied van personeelsplanning weg te halen vanwege haar arbeidsongeschiktheid en de continuïteit van de organisatie.
De rechtbank oordeelde dat deze ontheffing niet gerechtvaardigd was omdat betrokkene niet langdurig arbeidsongeschikt was en onvoldoende bewijs was dat zij niet naar behoren functioneerde. Het college had een minder ingrijpende maatregel moeten nemen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en stelde vast dat betrokkene geen andere werkzaamheden was opgedragen, noch tijdelijk niet-functiegerelateerde taken, waardoor zij gedurende lange tijd 'zweefde'.
De Raad benadrukte dat deze situatie volgens vaste rechtspraak onaanvaardbaar is. Het college slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het opdragen van andere werkzaamheden vanwege ziekte niet mogelijk was. De vernietiging van het besluit en de herroeping van het besluit van 30 juni 2019 werden bevestigd. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.