ECLI:NL:CRVB:2021:334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellante was voor 37,15 uur per week werkzaam als promotor cosmetica en meldde zich op 4 oktober 2016 ziek. Het UWV stelde op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij niet meer geschikt was voor haar laatstverricht werk en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante bracht in hoger beroep aan dat onterecht geen urenbeperking was aangenomen en dat de functie van administratief ondersteunend medewerker haar belastbaarheid overschrijdt.
De Raad oordeelde dat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld en dat de medische stukken, waaronder een brief van de huisarts, geen aanleiding gaven tot twijfel. Hoewel de Raad het oordeel van de arbeidsdeskundige over de functie administratief ondersteunend medewerker onvoldoende gemotiveerd vond, veranderde dit niets aan het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage omdat er voldoende andere geschikte functies waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 2 oktober 2018.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.