ECLI:NL:CRVB:2021:3354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ouderdomspensioen onterecht wegens duurzaam gescheiden leven door ongewilde verbreking huwelijkse samenleving
Appellant ontving sinds 2015 een ouderdomspensioen op grond van de AOW. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen in 2019 naar een gehuwdenpensioen, omdat appellant gehuwd was. Appellant stelde echter dat hij sinds 2008 duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote, die toen gedwongen Nederland had verlaten vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van duurzaam gescheiden leven omdat het samenwonen slechts tijdelijk niet mogelijk was. De Svb vorderde terugbetaling van te veel ontvangen pensioen en legde een boete op, waarvan de boete later werd vernietigd.
In hoger beroep stelde appellant dat de huwelijkse samenleving ongewild was verbroken en dat het feitelijk onmogelijk was om samen te leven, waardoor sprake was van duurzaam gescheiden leven. De Raad volgde appellant en oordeelde dat de situatie van ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving bestond, dat er een daadwerkelijk beletsel was voor samenwonen en dat het niet te verwachten was dat deze situatie binnen afzienbare tijd zou wijzigen. Hierdoor was de herziening van het pensioen onterecht en dienden de terugvordering en boete te vervallen.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken en de bestreden besluiten van de Svb, herroept de herziening en veroordeelde de Svb in de proceskosten van appellant. De uitspraak benadrukt de toepassing van het begrip duurzaam gescheiden leven bij ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving en de voorwaarden daarvoor.
Uitkomst: De herziening van het ouderdomspensioen naar gehuwdenpensioen was onterecht wegens duurzaam gescheiden leven, waardoor terugvordering en boete vervallen.