Uitspraak
20 1732 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving tot 14 april 2019 een WIA-uitkering en vroeg op 16 mei 2019 bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 14 april 2019. Het college verleende bijstand vanaf de datum van aanvraag, 16 mei 2019, omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld die eerdere verlening rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellant stelde dat psychische en verslavingsproblemen en schulden hem verhinderden tijdig bijstand aan te vragen, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.
De Raad oordeelde dat het college niet verplicht was bij de aanvraag te onderzoeken of appellant al eerder bijstand behoefde en dat het ontbreken van de WIA-uitkering op zichzelf geen bijzondere omstandigheid vormt. Psychologisch onderzoek toonde geen onvermogen aan om eerder bijstand aan te vragen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd; geen bijstand met terugwerkende kracht.