ECLI:NL:RBZWB:2021:6405
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum toekenning periodieke bijzondere bijstand aan opvangcliënt
Eiseres heeft bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle een aanvraag gedaan voor periodieke bijzondere bijstand met een gewenste ingangsdatum van 26 augustus 2019, de datum waarop zij in een opvanglocatie verbleef en een tijdelijke verblijfsvergunning ontving. Het college kende de bijstand toe vanaf 3 oktober 2019, de datum van haar melding bij het college, en verklaarde het bezwaar van eiseres tegen deze ingangsdatum ongegrond.
Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit, stellende dat de uitkering vanaf het moment van verblijf in de opvanglocatie zou moeten ingaan. De rechtbank overwoog dat volgens vaste rechtspraak de bijstand in beginsel wordt toegekend vanaf de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. In deze zaak waren geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een afwijking rechtvaardigden. De late ontvangst van de verblijfsvergunning en verlate inschrijving bij de gemeente vormden geen feitelijk beletsel voor een eerdere melding.
Het college had het beleid uit het Verzamelbesluit beleidsregels Participatiewet toegepast, dat aansluit bij artikel 44 van Pro de Participatiewet. De rechtbank oordeelde dat het college dit beleid consistent en redelijk had toegepast. Er waren geen aanwijzingen dat eiseres door het college was afgehouden van een eerdere melding of dat de toepassing van het beleid onevenredige gevolgen had.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit dat de bijzondere bijstand vanaf 3 oktober 2019 wordt toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de bijzondere bijstand wordt toegekend vanaf 3 oktober 2019.