ECLI:NL:CRVB:2021:392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen maatregel weigering Ziektewetuitkering wegens vermeende benadelingshandeling
Appellante was sinds 2013 werkzaam bij een incassobureau en meldde zich in augustus 2017 ziek met psychische klachten. Werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen van appellante, maar de kantonrechter oordeelde dat werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld en ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2018 met vergoedingen voor appellante.
Het UWV legde appellante een maatregel op door de Ziektewetuitkering geheel te weigeren, stellende dat zij had ingestemd met de beëindiging van haar dienstverband en daardoor geen recht meer had op loon. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het besluit, maar het UWV stelde het bezwaar alsnog deels gegrond en verlaagde de uitkering.
In hoger beroep stelde appellante dat zij geen benadelingshandeling had gepleegd en dat ernstig verwijtbaar handelen van werkgever het niet mogelijk maakte om van haar te verlangen het dienstverband voort te zetten. De Raad oordeelde dat appellante voldoende verweer had gevoerd en niet zonder gegronde redenen was weggebleven of de re-integratie had belemmerd. Er was geen sprake van instemming met beëindiging en dus geen benadelingshandeling.
De Raad vernietigde het besluit van 5 juli 2019 en herroept het besluit van 30 augustus 2018. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de Ziektewetuitkering wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.