Appellant ontving bijstand en werd geconfronteerd met een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot intrekking van zijn bijstandsuitkering en terugvordering van ontvangen bedragen, omdat hij niet zou hebben gemeld dat hij op geld waardeerbare activiteiten verrichtte. Uit het dossier bleek echter dat appellant deze activiteiten wel had gemeld, maar het college heeft nagelaten door te vragen naar de aard en omvang hiervan.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en het besluit van het college vanwege een gebrek aan deugdelijk onderzoek en motivering. Het college had appellant moeten vragen om nadere toelichting op zijn werkzaamheden en hem moeten informeren over de gevolgen voor de bijstand.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, waardoor de Staat aan appellant een schadevergoeding van € 500,- moet betalen. Tevens worden de proceskosten van appellant vergoed. Het college verschijnt niet ter zitting, waardoor geen nadere toelichting kon worden gegeven.
De Raad herroept het besluit van 4 november 2016 en veroordeelt de Staat tot schadevergoeding en het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee wordt het recht op bijstand van appellant hersteld en wordt het bestuursprocesrechtelijk belang van een zorgvuldige en tijdige besluitvorming onderstreept.