Uitspraak
18.5562 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving uitkeringen op grond van de WW, ZW en WIA na een vermeend dienstverband met Werkgever B.V. in de periode van september 2011 tot februari 2012. Het UWV stelde op basis van een onderzoek naar gefingeerde dienstverbanden dat er geen sprake was van een echte arbeidsovereenkomst met Werkgever B.V. en trok de uitkeringen in en vorderde deze terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het UWV aannemelijk had gemaakt dat appellant geen werkzaamheden voor Werkgever B.V. had verricht. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd en dat hij wel degelijk arbeid had verricht, onder meer met verwijzing naar bankafschriften en medische informatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. De Raad vond de verklaringen van appellant tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd, en wees erop dat betalingen op zijn bankrekening niet van Werkgever B.V. afkomstig waren. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking en terugvordering van de uitkeringen bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de uitkeringen bevestigd.