ECLI:NL:CRVB:2021:422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en onderging een operatie aan haar linkerschouder. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was vastgesteld op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de beperkingen niet waren onderschat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar hand- en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht extra beperkingen heeft opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst, maar dat deze onvoldoende zijn om de arbeidsongeschiktheid boven de 35% te brengen. De Raad benadrukt dat de beoordeling gebaseerd is op medisch objectiveerbare klachten en niet op subjectieve belemmeringen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.