ECLI:NL:CRVB:2021:426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was laatstelijk werkzaam als reachtruckchauffeur en meldde zich ziek in 2015. Na een afwijzing van zijn WIA-uitkeringsaanvraag in 2017, verklaarde de rechtbank het beroep van appellant ongegrond. De rechtbank baseerde zich op medische rapporten en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarin de beperkingen van appellant zijn vastgelegd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de beperkingen niet juist waren verwerkt, met name op het gebied van doelmatig handelen en samenwerken. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat heeft meegenomen en dat de FML correct is toegepast. De Raad onderschrijft het oordeel dat appellant medisch geschikt is voor de geselecteerde functies.
De Raad benadrukt dat beperkingen op doelmatig handelen alleen worden aangenomen bij ernstige stoornissen in de algemene dagelijkse levensverrichtingen, wat bij appellant niet het geval is. Ook de beperkingen in samenwerken zijn volgens de Raad licht tot matig en rechtvaardigen geen zwaardere beperking. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.