ECLI:NL:CRVB:2021:436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim buiten diensttijd door ambtenaar
Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, was betrokken bij een incident op 4 oktober 2016 op een NS-station waarbij hij ondanks een verbod van de conducteur probeerde in te stappen en zijn BOA-bevoegdheid toonde in een privécontext. Dit leidde tot een klacht en een disciplinaire procedure wegens plichtsverzuim.
De staatssecretaris legde appellant een schriftelijke berisping op gecombineerd met een vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met een derde. Appellant voerde in bezwaar en hoger beroep aan dat zijn gedrag niet verwijtbaar was en betwistte enkele feiten, maar de Raad volgde hem niet. De gedragingen waren voldoende vastgesteld en toerekenbaar.
De Raad oordeelde dat ook handelen buiten werktijd plichtsverzuim kan opleveren als het aanzien van de dienst wordt geschaad. Het gebruik van de BOA-bevoegdheid in deze situatie was onterecht en het escaleren van het incident en het negeren van verzoeken tot kalmte waren verwijtbaar. De opgelegde straf was niet onevenredig gezien de ernst van het plichtsverzuim.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank Gelderland werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de opgelegde disciplinaire straf bevestigd.