ECLI:NL:CRVB:2021:443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering na zorgvuldig UWV-onderzoek bevestigd
Appellante was ziekgemeld wegens rug- en knieklachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom haar uitkering. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen groter waren dan vastgesteld, onderbouwd met medische rapporten.
De rechtbank oordeelde dat het UWV een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek had uitgevoerd, waarbij verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen de beperkingen van appellante adequaat hadden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ontvankelijk maar ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name bij staan, zwaarder wogen dan door het UWV aangenomen. De Raad volgde dit niet en vond dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep hun standpunt overtuigend hadden gemotiveerd, mede gezien het ontbreken van lichamelijk onderzoek door de door appellante geraadpleegde artsen.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante meer dan 65% van haar maatmanloon kon verdienen en dat de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 20 november 2018 rechtmatig was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewet-uitkering van appellante heeft beëindigd per 20 november 2018.