ECLI:NL:CRVB:2021:444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling datum in geding en mate van arbeidsongeschiktheid in WIA-uitkering
Appellant was werkzaam als productieoperator en meldde zich ziek met rug- en jichtklachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe van 26 september 2016 tot 25 september 2018, met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Na een herbeoordeling stelde het UWV op 25 oktober 2017 vast dat appellant vanaf 24 oktober 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht meer bestond op een WIA-uitkering na 25 september 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde de datum van 25 oktober 2017 als datum in geding vast. In hoger beroep stelde het UWV dat de juiste datum 24 oktober 2017 was, zoals vermeld in het besluit, en dat deze datum als datum in geding moet gelden. De Centrale Raad van Beroep volgde het UWV en verwierp het standpunt van appellant dat ook de einddatum van de uitkering als datum in geding moest gelden.
De medische beoordeling door het UWV werd bevestigd. De verzekeringsarts had rekening gehouden met de beperkingen van appellant, waaronder rugklachten en jicht, en concludeerde dat appellant geschikt was voor licht tot matig belastende arbeid. De arbeidsdeskundige had voorbeeldfuncties geselecteerd die medisch passend waren. Appellant had geen nieuwe medische gegevens ingediend die tot een ander oordeel leidden.
De Raad oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van het UWV slaagde en het hoger beroep van appellant niet. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd met verbetering van de gronden. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de datum in geding 24 oktober 2017 is en dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 12,02%.