ECLI:NL:CRVB:2021:447

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2021
Publicatiedatum
4 maart 2021
Zaaknummer
19/2595 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:57 AwbArt. 35 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens niet-noodzakelijke verhuizing

Betrokkene diende op 2 juli 2018 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor kosten van woninginrichting. Het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom wees deze aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk werd geacht.

De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep ongegrond, maar oordeelde dat de afwijzing niet op juiste gronden was gebaseerd en paste artikel 6:22 van Pro de Awb toe, waardoor het dagelijks bestuur werd veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

In hoger beroep stelde het dagelijks bestuur dat de rechtbank onterecht artikel 6:22 Awb Pro had toegepast en dat de afwijzing terecht was omdat de verhuizing niet noodzakelijk was. De Raad nam dit oordeel als vaststaand aan omdat betrokkene zich hiertegen niet had verzet.

De Raad concludeerde dat de kosten van woninginrichting niet noodzakelijk zijn zonder noodzakelijke verhuizing en vernietigde de kostenveroordeling van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van het dagelijks bestuur.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de kostenveroordeling en bevestigt dat de afwijzing van bijzondere bijstand terecht is wegens niet-noodzakelijke verhuizing.

Uitspraak

19 2595 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 23 februari 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 mei 2019, 18/3681 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft op 2 juli 2018 een aanvraag bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) voor de kosten van woninginrichting ingediend. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag bij besluit van 17 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 augustus 2018 (bestreden besluit), afgewezen. Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat geen sprake is van noodzakelijke kosten omdat de verhuizing voor appellant niet noodzakelijk is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het dagelijks bestuur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank is met het dagelijks bestuur van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk is. De afwijzing dient volgens de rechtbank echter niet te berusten op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten, maar op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke bestaanskosten die uit bijzondere omstandigheden voortvloeien. De rechtbank heeft aanleiding gezien dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren en een kostenveroordeling uit te spreken.
3. Het dagelijks bestuur heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd behoudens voor zover de rechtbank daarbij het beroep ongegrond heeft verklaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Volgens het dagelijks bestuur is bij het bestreden besluit een juist toetsingskader gehanteerd en heeft de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 van Pro de Awb toegepast en ten onrechte een kostenveroordeling uitgesproken.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.
4.3.
Niet in geschil is dat de kosten van woninginrichting zich voordoen. Het dagelijks bestuur heeft vervolgens met juistheid onderzocht of de kosten van woninginrichting voor appellant noodzakelijk zijn. In dat kader heeft het dagelijks bestuur eveneens met juistheid onderzocht of de verhuizing van appellant noodzakelijk is. Als de verhuizing niet noodzakelijk is, volgt daaruit dat ook de kosten van woninginrichting niet noodzakelijk zijn. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:724. Of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, behoeft dan geen bespreking meer.
4.4.
De Raad neemt in hoger beroep als vaststaand aan dat de verhuizing van appellant niet noodzakelijk is, omdat appellant zich in hoger beroep niet tegen dit oordeel van de rechtbank heeft verzet. Omdat geen sprake is van een noodzakelijke verhuizing, heeft het dagelijks bestuur bij het bestreden besluit met juistheid geconcludeerd dat de kosten van woninginrichting voor appellant niet noodzakelijk zijn. Aan het bestreden besluit kleeft derhalve geen gebrek. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 van Pro de Awb heeft toegepast en ten onrechte een kostenveroordeling ten laste van het dagelijks bestuur heeft uitgesproken.
4.5.
Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover het de kostenveroordeling betreft.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het de kostenveroordeling betreft.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2021.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) R.B.E. van Nimwegen