Uitspraak
9 september 2016, 15/4867 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtings- en stofferingskosten na verhuizing naar een zelfstandige woning. Het college wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet noodzakelijk was, maar wenselijk, en appellant beschikte over geschikte huisvesting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de verhuizing noodzakelijk was vanwege zijn woonsituatie en mogelijke negatieve invloed op zijn werk. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een medische noodzaak of urgentieverklaring was. Ook de omstandigheden zoals de kleine zolderkamer en relatie met de huisbaas waren onvoldoende om de verhuizing als noodzakelijk te kwalificeren.
De Raad bevestigde dat de kosten van woninginrichting niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet kunnen worden aangemerkt. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten na verhuizing wordt afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk was.