Appellante was sinds 2007 werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en was vanaf 2013 arbeidsongeschikt. Na een reorganisatie werd zij als Van Werk naar Werk-kandidaat ingezet voor re-integratie in diverse onderdelen. In 2017 kreeg zij dienstopdrachten opgelegd, waartegen zij bezwaar maakte. De minister verleende haar in 2018 ontslag wegens een impasse en verstoorde verhoudingen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de dienstopdrachten niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen het ontslag ongegrond. In hoger beroep vernietigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de dienstopdrachten en verklaart deze bezwaren inhoudelijk ongegrond. De Raad oordeelt dat de opgelegde werkzaamheden redelijk waren en binnen de re-integratieverplichtingen vielen.
Ten aanzien van het ontslag bevestigt de Raad dat de verstoorde arbeidsverhouding en het ontbreken van een vruchtbare samenwerking een redelijke grond vormen voor ontslag. Appellante had een starre houding ten aanzien van het niveau van werkzaamheden en belemmerde het re-integratieproces mede door het niet vrijgeven van een psychologisch rapport. De Raad veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten aan appellante.