ECLI:NL:CRVB:2021:553
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens verdiencapaciteit boven 65 procent
Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarop de uitkering werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en voerde aanvullende beperkingen aan, ondersteund door medische stukken, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen, mede door pijnklachten en medicatie, onvoldoende waren meegewogen. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en gemotiveerd was, dat er geen nieuwe medische gegevens waren die tot een ander oordeel leidden en dat de geselecteerde functies passend waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.