ECLI:NL:CRVB:2021:565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar OV-schuld wegens studentenreisproduct
Betrokkene ontving studiefinanciering en maakte gebruik van het studentenreisproduct. De minister stelde vast dat betrokkene vanaf juli 2014 niet meer voltijds was ingeschreven, waardoor het recht op studiefinanciering en het studentenreisproduct verviel. Dit leidde tot een OV-schuld die met meerdere besluiten werd verhoogd.
Betrokkene, vertegenwoordigd door haar vader, maakte bezwaar tegen de OV-schuld. De minister verklaarde het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde echter dat het bezwaar tijdig was ingediend en dat betrokkene vanwege psychische problemen niet in staat was het studentenreisproduct zelf stop te zetten, waardoor het bezwaar ontvankelijk was en de besluiten na 23 januari 2015 werden herroepen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het bezwaar niet geacht kon worden te zijn gericht tegen besluiten na 27 maart 2015 en dat deze terecht niet-ontvankelijk waren verklaard. Tevens werd geoordeeld dat betrokkene, ondanks haar psychische problemen, het studentenreisproduct zelf of via een derde had kunnen stopzetten. Het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2015 werd daarom ongegrond verklaard en de OV-schuld bleef in stand.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het bezwaar ontvankelijk verklaarde en de besluiten herroepen, en bepaalde dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2015 wordt ongegrond verklaard en de OV-schuld blijft in stand.