ECLI:NL:CRVB:2021:577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies in WIA-zaak
Appellant, werkzaam als isoleerder, viel uit wegens klachten aan het bewegingsapparaat en kreeg een WIA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 59,96%. Na melding van vermeerde beperkingen in 2018 stelde het UWV een nieuwe mate van arbeidsongeschiktheid vast van 42,99% op basis van een functionele mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond na bevestiging door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, omdat geen nieuwe medische gegevens waren ingebracht die tot een andere beoordeling zouden leiden.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en bezwaren, waaronder zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal en de ongeschiktheid voor de functies die het UWV had aangewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe medische gronden had aangevoerd en onvoldoende had gemotiveerd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de functies passend zijn en dat appellant in staat wordt geacht deze uit te voeren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid 42,99% bedraagt en verklaart het hoger beroep ongegrond.