ECLI:NL:CRVB:2021:589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep WIA-uitkering niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang
Appellant was werkzaam als bakker en viel door een val van een ladder uit op 20 september 2012. Het UWV stelde bij besluit van 21 augustus 2014 vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Na bezwaar en beroep kende het UWV bij een nieuw besluit van 17 september 2015 alsnog een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,34%.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn lichamelijke en psychische klachten, waaronder alcoholmisbruik, onvoldoende waren meegewogen en dat hij beperkingen had die niet waren erkend.
De Raad oordeelde dat appellant sinds 23 mei 2016 een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% toegewezen kreeg en dat de uitkering per 15 mei 2017 was ingetrokken. Appellant kon met het hoger beroep geen hogere uitkering verkrijgen. Zijn claim voor een IVA-uitkering werd als te laat en strijdig met de goede procesorde beschouwd. Ook een procesbelang voor proceskostenvergoeding was niet aannemelijk gemaakt.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voldoende procesbelang.