ECLI:NL:CRVB:2021:609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening sanctie nawettelijke uitkering wegens onvoldoende sollicitatieplicht
Appellant, voormalig ambtenaar van de gemeente Den Haag, kreeg wegens reorganisatie eervol ontslag en een nawettelijke uitkering toegekend. Het college stopzette deze uitkering per 1 maart 2018 vanwege niet voldoen aan sollicitatieplicht en niet meewerken aan re-integratie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat sprake was van recidive en dat de zwaarste sanctie passend was. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk sollicitatieactiviteiten had verricht en dat de sanctie disproportioneel was.
De Raad oordeelde dat ernstige twijfel bestond over de authenticiteit van enkele sollicitatieafwijzingen en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd. Wel werd geoordeeld dat de stopzetting van de uitkering onevenredig was, mede omdat het college eerder een waarschuwing had gegeven en niet had mogen verwijzen naar eerdere sancties van het UWV.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde zelf dat een korting van 25% voor vier maanden passend is. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De stopzetting van de nawettelijke uitkering wordt vernietigd en vervangen door een korting van 25% voor vier maanden.