ECLI:NL:CRVB:2021:61
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling pgb nihil en terugvordering voorschotten wegens niet-naleving verplichtingen AWBZ-zorg
Appellant ontving voor 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de AWBZ. Het zorgkantoor stelde het pgb na administratief onderzoek op nihil vast en vorderde onverschuldigd betaalde voorschotten terug, omdat niet was voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en de terugvordering te doen. De Raad onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat de door appellant ingediende verantwoordingsstukken onvoldoende duidelijkheid bieden over de aard en omvang van de verleende AWBZ-zorg.
Voorts is vastgesteld dat activiteiten zoals 'afwezig zonder melding' geen AWBZ-zorg betreffen en dat de administratie niet voldoet aan de eisen van de Regeling subsidies AWBZ. De Raad benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor de verantwoording bij de budgethouder ligt en dat het zorgkantoor de belangenafweging redelijk heeft gemaakt.
Gezien het ontbreken van voldoende bewijs dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend en betaald, was het zorgkantoor bevoegd het pgb op nihil vast te stellen en voorschotten terug te vorderen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het pgb op nihil en terugvordering van voorschotten bevestigd.